U bent hier:Home Onderwerpen Volwassenen in detentie Zorg en begeleiding
Tijdens het verblijf in een gevangenis is het mogelijk deel te nemen aan een dagprogramma, is er medische zorg en zijn er speciale programma's om te volgen.
Penitentiair Inrichtingswerkers (PIW’ers) zijn het eerste aanspreekpunt voor gedetineerden. Zij zijn verantwoordelijk voor de dagelijkse begeleiding en zorg van gedetineerden en verlenen waar nodig zorg. Verder zorgen zij ervoor dat de regels worden nageleefd en treden zij op bij agressief gedrag en crisissituaties.
Bewaarders (Bewa's) zorgen voor de bewaking en beveiliging van de personen in de inrichting. Zij voeren de toegangscontroles en bagagechecks uit, beheren sleutels en communicatiemiddelen en volgen de bewegingen binnen de inrichtingen met een gesloten cameracircuit.
Tijdens het verblijf in een Huis van Bewaring of gevangenis kunnen gedetineerden deelnemen aan een dagprogramma. Het dagprogramma bevat een aantal door de Penitentiaire Beginselenwet verplichte activiteiten, zoals recreatie, luchten, bezoek, sport, deelname aan aangeboden arbeid, gebruik van bibliotheek en het recht op geestelijke en medische verzorging. De tijden buiten het dagprogramma brengt een gedetineerde in beginsel door op cel.
Veel gedetineerden hebben nooit een diploma behaald. Onder bepaalde voorwaarden is het mogelijk om in de gevangenis een beroepsopleiding te volgen. De gedetineerde moet dan wel gemotiveerd zijn en lang genoeg vastzitten om de opleiding af te kunnen maken. Met een diploma op zak is de kans op werk na detentie groter.
Gedetineerden hebben recht op arbeid in de gevangenis (indien er voldoende aanbod is). Daarmee verdienen ze een klein bedrag in de gevangenis waarmee ze de kosten voor bijvoorbeeld rookwaar, het huren van een televisie of een koelkast kunnen voldoen.
In Nederland heeft ieder mens recht op gezondheidszorg. Dat geldt ook voor burgers waarvan de vrijheid is ontnomen of die in hun vrijheid zijn beperkt. Het Gevangeniswezen is voor deze mensen verantwoordelijk en heeft namens de overheid een zorgplicht. Dit betekent dat gedetineerden binnen inrichtingen adequate en voldoende gezondheidszorg ontvangen. Elke gedetineerde heeft toegang tot medische zorg (lichamelijk en geestelijk), die qua kwaliteit gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij.
Wel moet bij het verlenen van medische zorg rekening worden gehouden met de bijzondere situatie van vrijheidsbeneming. Dit levert natuurlijk beperkingen op hoe, waar en wanneer gedetineerden medische zorg kunnen ondergaan.
Het Gevangeniswezen van DJI biedt gedetineerden de gelegenheid tot geestelijke verzorging, dat wil zeggen het onderhouden van contacten met vertegenwoordigers van denominaties (kerkgenootschappen, religieuze groeperingen) naar keuze.
Er zijn acht erkende Zendende instanties actief binnen het Gevangeniswezen:
De Rooms-Katholieke kerk, de Protestantse Kerken, het Humanistisch Verbond, het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO), de Boeddhistische Unie en de Joodse Gemeenten (waaronder de driedeling van het Nederlands-Israelitisch Kerkgenootschap NIK, het Portugees-Israelitisch Kerkgenootschap en het Nederlands Verbond voor Progressief Jodendom).
Deze instanties zijn via de daartoe aangewezen geestelijke verzorgers verantwoordelijk voor de geestelijke verzorging binnen de justitiële inrichtingen.
Het beïnvloeden van het gedrag van ingeslotenen door gedragsinterventies is één van de pijlers van het Gevangeniswezen, om zo de recidive terug te dringen. Wanneer is vastgesteld welke factoren een rol spelen bij het plegen van delicten, kan invloed uitgeoefend worden op juist díe factoren die te veranderen zijn. Dit zijn de zogenaamde ‘dynamische criminogene factoren’. Het inzetten van (gedrags)interventies heeft tot doel iemands (ongewenste) gedrag positief te beïnvloeden. Een gedragsinterventie bestaat vaak uit een serie trainingen waarbij gedetineerden werken aan specifieke vaardigheden.
In opdracht van de minister van Justitie werken drie reclasseringsorganisaties, het Gevangeniswezen van DJI en het ministerie samen om het bestaande aanbod van interventiemogelijkheden te verbeteren. Uit onderzoek is gebleken dat verschillende factoren een rol spelen bij het succes van een gedragsinterventie. Met deze factoren wordt daarom goed rekening gehouden bij het ontwikkelen en uitvoeren van (nieuwe) gedragsinterventies. Een onafhankelijke Erkenningscommissie besluit op basis van vastgestelde criteria of een gedragsinterventie het stempel ‘erkend' mag krijgen of niet.