Dekker: voorwaardelijke invrijheidstelling niet langer vanzelfsprekend

Deze hoofdrubriek bevat 6 rubrieken:

Voor een veilige samenleving en een groter rechtvaardigheidsgevoel zal een groter deel van een opgelegde vrijheidsstraf straks ook echt binnen de gevangenismuren worden doorgebracht. Gedetineerden komen voortaan niet meer vanzelf voorwaardelijk vrij na tweederde van de straf. In plaats daarvan zal per gevangene individueel worden getoetst of hij/zij in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling. Daarbij wordt nadrukkelijker gekeken naar hoe iemand zich tijdens de gehele detentie heeft gedragen. Daarnaast wordt de periode van de voorwaardelijke invrijheidstelling beperkt tot maximaal 2 jaar.

Dit blijkt uit een wetsvoorstel van minister Dekker (voor Rechtsbescherming) dat vandaag voor advies naar verschillende instanties is gestuurd, zoals de Raad voor de rechtspraak en het Openbaar Ministerie (OM). De maatregelen vloeien voort uit het regeerakkoord.

Duur

‘Mensen met een lange gevangenisstraf hebben ernstige misdrijven begaan. Richting slachtoffers is het moeilijk te rechtvaardigen dat zij vaak al na tweederde van hun straf weer vrij komen’, aldus minister Dekker. Dat gaat in de toekomst daarom anders. Dan wordt de voorwaardelijke invrijheidstelling gemaximeerd op 2 jaar. Dit heeft effect op alle vrijheidsstraffen van 6 jaar en langer. Nu hoeft van een straf van – bijvoorbeeld – 12 jaar vaak slechts 8 jaar te worden uitgezeten, waarna de veroordeelde een periode van 4 jaar voorwaardelijk in vrijheid verkeert. Straks zit de gedetineerde geen 8 jaar maar 10 jaar in de gevangenis. Om te kunnen werken aan hun re-integratie volstaat voor gedetineerden een periode van twee jaar buiten de inrichting. Te meer, omdat langgestraften zich ook al in detentie kunnen voorbereiden op terugkeer in de samenleving. ‘Het is niet zo dat wie langer is gestraft ook perse langer de tijd nodig heeft om te re-integreren. Een periode van twee jaar is voor iedereen lang genoeg,’ aldus Dekker.

Toets

Nu is het zo dat vrijwel alle gedetineerden met lange onvoorwaardelijke straffen na tweederde van hun straf voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld. Ook dat gaat veranderen. Voortaan staat niet op voorhand vast dat een gedetineerde voorwaardelijk vrij komt, maar bekijkt het OM per individueel geval kritisch of voorwaardelijke invrijheidstelling mogelijk en verantwoord is. Daarbij zijn drie elementen van belang. In de eerste plaats wordt gekeken of een gedetineerde zich tijdens de detentieperiode goed heeft gedragen. In de tweede plaats wordt gekeken naar eventuele risico’s die aan een vrijlating kleven. Met extra voorwaarden en reclasseringstoezicht kan de kans op recidive worden beperkt. In de derde plaats wordt rekening gehouden met de belangen van slachtoffers, nabestaanden en andere personen, zoals getuigen. Ter bescherming kan een gedetineerde vrijlating eventueel worden ontzegd of kan een locatie- of contactverbod worden opgelegd. Voordat een gedetineerde onder voorwaarden vrijkomt, wordt per geval op deze drie criteria getoetst. En als gedetineerden vervolgens onder voorwaarden vrijkomen, zal het Openbaar Ministerie er strikt op toezien dat deze voorwaarden ook worden nageleefd. Zo niet, dan herroept het OM de voorwaardelijke invrijheidstelling.

Gedrag krijgt meer gevolgen

Het gedrag van gedetineerden tijdens de gehele detentieperiode gaat een grotere rol spelen bij het besluit of iemand voor voorwaardelijke invrijheidstelling in aanmerking komt. Op die manier krijgt slecht gedrag – zoals agressie tegen personeel en medegevangenen, of bezit van drugs of andere contrabande – grotere consequenties voor vrijheden in de toekomst (in het bijzonder de voorwaardelijke invrijheidstelling). Maar ook al eerder tijdens de detentie gaat gedrag zwaarder tellen. Om te voorkomen dat gedetineerden de detentie als vrijblijvend ervaren, wordt hun gedrag steeds aan de orde gesteld.

Minister Dekker

Dekker: ‘Ik sta voor een veel actievere detentie, waarbij gedetineerden zelf verantwoordelijk zijn, in de gevangenis arbeid verrichten en werken aan hun re-integratie.’

Gedetineerden krijgen bij goed gedrag de mogelijkheid om aan hun re-integratie te werken door stapsgewijs te oefenen met vrijheden binnen de gevangenis (detentiefasering). Dit gebeurt in de praktijk door een systeem van belonen en bestraffen. Wanneer gedetineerden voor langere tijd aaneengesloten goed gedrag laten zien, kunnen zij promoveren van het basisprogramma naar een plusprogramma, dat meer interne vrijheden en meer activiteiten biedt. Maar bij wangedrag kunnen zij ook weer worden teruggeplaatst. Tegen het einde van hun gevangenisstraf kunnen gedetineerden, met het oog op de voorbereiding van hun terugkeer in de samenleving, ook in aanmerking komen voor externe vrijheden, zoals re-integratieverlof en extramurale arbeid. In dat geval kunnen zij in een zogeheten beperkt beveiligde afdeling overdag werken buiten de gevangenis of een bezoek aan het gemeentehuis brengen voor het halen van een ID-bewijs of het regelen van woonruimte. De tenuitvoerlegging van de straf kan worden afgesloten met deelname aan een penitentiair programma (voor korte straffen) of voorwaardelijk invrijheidstelling (voor langere straffen).